Toespraak Dodenherdenking 2026

Sint-Janskerk Gouda, 4 mei

Van wie is verdriet?

Overlijden is vaak zo verdrietig.
Al helemaal als het onverwacht is. Of niet-natuurlijk.

Gouda is het afgelopen jaar gegroeid. Er kwamen meer dan 1.300 inwoners bij.
Maar Gouda verloor dit jaar ook mensen. Mooie mensen. Soms onder heel verdrietige omstandigheden.

Joeweela, Peter, Jerryson, Mieke, Dushi en Irene bijvoorbeeld. En deze week nog Jan.

Misschien staat u hier vandaag met uw gedachten bij iemand die u zelf moest loslaten…” 

Dan gaat het over recent verlies zoals in de openingswoorden genoemd, maar ook om kinderen van vermoorde verzetsstrijders of Joodse slachtoffers, oorlogsslachtoffers

Meeleven doet goed. Condoleren betekent letterlijk: met elkaar mee-lijden.
Samen aanwezig zijn. Samen de stilte voelen – straks, 2 minuten lang.

Juist wanneer de dood ruw en plotseling komt, stel ik mezelf als burgemeester steeds opnieuw de vraag: Van wie is het verdriet?

Voor wie de overledene dierbaar was, dit kan familie zijn, maar ook vrienden dichtbij of iets verder weg. 
Maar het is niet altijd eenduidig.
Wat als een vader uit beeld was? Of een nicht nauwelijks meer contact had?
Mogen zij ook rouwen?

En als verdriet een hele gemeenschap raakt, komen er andere vragen bij.
Wel of geen stille tocht? Wel of geen media – en wanneer dan?

Vanavond staan we stil.
4 mei 2026.

Tussen 1940 en 1945 zijn in onze stad vele mensen gestorven door tirannie en geweld.
Daarom komen we vanavond met verhalen. En mogen we, 1.000 malen, wenen.

Meestal houd ik deze toespraak bij het monument voor Sint-Joris en de Draak.
Een beeld dat in 1948 werd onthuld, in een tijd waarin Gouda – en Nederland – volop in wederopbouw was. Een fors beeld, 5 meter hoog. Van de destijds beroemde ontwerper professor Wenckebach.

Het verhaal van Sint-Joris is eeuwenoud.
Het vertelt over een held die het kwaad overwint.
Over licht dat duisternis verdrijft.
Over goed en fout, scherp van elkaar gescheiden. Dat klinkt overzichtelijk.

Maar wie beter kijkt, ziet dat de werkelijkheid zelden zo helder is.
Ook in de oorlog niet.

Op het monument staan 260 namen.
Bij de onthulling, op een eerdere 4 mei, waren vele nabestaanden aanwezig.
Maar niet iedereen werd toen erkend.

Neem het verhaal van Willem Schoutese, een Goudse activist. Voor de oorlog al een dwarsdenker.
Communist. Kritisch op de opkomst van het fascisme.
Iemand die niet geliefd was bij gezag en overheid.

Juist die overtuigingen maakten hem kwetsbaar.
Nog vóór de bezetting werden namen van communisten doorgegeven.
In de oorlog zat Willem in het verzet, onder meer door het verspreiden van verzetskranten.

Op 25 juni 1941 werd hij ’s ochtends vroeg uit huis gehaald.
Zijn kinderen bleven achter. 7 in totaal — de jongste nog geen 3 maanden oud. Zijn dochter Annie leeft nog. Ze heeft haar vader nooit gekend. Net als kleindochter Cora en achterkleindochter Bo opa slechts kunnen uit de verhalen.

Willem – ik noem zijn naam met respect – werd via Kamp Amersfoort naar Neuengamme gestuurd en in 1942 zonder proces naar Dachau gebracht. De familie kreeg nog een briefje: ‘Kust de kinderen van mij… en ontvangt zelf duizenden groeten en zoenen.’ Verzwakt stierf hij, 45 jaar jong.

Toen 6 jaar later het monument werd ‘Sint-Joris en de draak werd onthuld’, stond zijn weduwe daar.
Met 7 kinderen.
Maar Willem’s naam ontbrak.
Zij moesten achter het touw blijven staan.

Wie wordt herdacht?
Wie niet?

Als je goed kijkt, zie je dat zelfs herdenken ook kan uitsluiten.
Dat zie je terug in cijfers: waar eerst 260 namen bekend waren, telt de lijst nu 523 slachtoffers.

Uitsluiting begint zelden groots.
Ze begint in houding, gedrag en taal.

En dan keert de vraag terug: Van wie is het verdriet?

Van wie mag het er zijn?
Alleen van wie past in het heldenverhaal?
En wat als helden ook fouten hadden?
Of een strafblad?
Of ideeën die niet populair waren? Tussen zwart en wit liggen heel veel tinten grijs. There is always a snake in the grass.

Leren omgaan met verdriet kent daarom geen simpel goed of kwaad.
Waar je ook opgroeit – of dat nu Nederland is, Gaza, Tel Aviv, Teheran, Myanmar of Sudan –
een kind is nooit verantwoordelijk voor de trauma’s van zijn ouders.

Wat we wél kunnen, is verschil maken. Soms klein en betekenisvol. Zoals het groepje inwoners uit Solingen dat ieder jaar rond deze datum de Stolpersteine poetst. Herzlichen dank!

Verschil maken kan op iedere dag en op iedere leeftijd. Zoals Gouwenaar Chris van den Berg dat deed.

Ik sprak hem onlangs. Hij is nu 101 jaar en woont in zorgcentrum de Ronssehof.
In de oorlog woonde hij in het Westland. Zijn gezin hielp Joden onderduiken.

Op 9 mei 1943 werd Chris 18.
Die dag fietste hij met een jonge Joodse vrouw naar een nieuw onderduikadres in Katwijk. Later regelde hij een vals persoonsbewijs voor Rachel.

Haar zoon vertelde mij:
“Heel Katwijk wist wie ze was. Niemand heeft haar verraden.” Op diezelfde dag werden haar ouders vermoord in Sobibor.

Een jongen van 18 maakte een levensreddend verschil. In 2016 werd hij erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren in Yad Vashem. Ik noem zijn naam met respect: Chris van den Berg.

Tot slot; Ook vandaag kan iedereen hier verschil maken. Vaak zit dat niet in grote daden, maar in kleine keuzes.  Begin ermee het verdriet van anderen serieus te nemen.
Ook – en juist – van mensen die u minder goed begrijpt. Overwin het kwade door het goede.

Vorige week op Koningsdag werd het vaak gezongen: iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen. Je zou het ook zo kunnen zeggen: Iedereen heeft verdriet, het verdriet is van iedereen.

Dank u wel.